‘Eenzaamheid moet je al op zeer jonge leeftijd beginnen bestrijden’

De voorbije 25 jaar voerde de Nederlandse professor Sociale Weerbaarheid Anja Machielse (67) onderzoek naar eenzaamheid in de samenleving. Ze kan niet anders dan vaststellen dat die alleen maar toeneemt. “In een stad als Amsterdam zijn de cijfers van ‘lijkvinding’ geheim. Ik vermoed om onrust te voorkomen, maar ik weet wel zeker dat de statistieken in stijgende lijn gaan.”

Ook al ging Anje Machielse in oktober vorig jaar met emeritaat, toch blijft ze als ‘bijzonder hoogleraar sociale weerbaarheid van ouderen’ anderhalve dag in de week verbonden aan haar Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. “Toen ik een kwart eeuw geleden met mijn eerste grote onderzoek naar eenzaamheid begon, was iedereen er nog van overtuigd dat gezondheid het allerbelangrijkste was voor ons welbevinden”, zegt ze. “Tot ik ontdekte dat om ons goed te voelen, relaties veel belangrijker zijn dan gezondheid. Toen ik dat resultaat aan de overheid voorlegde, kreeg ik als antwoord: ‘Eenzaamheid is een privédingetje. Wie te weinig contacten heeft, moet dat zelf maar oplossen.’ Intussen is die houding gelukkig volledig gekeerd.”

Groot-Brittannië is inmiddels toe aan zijn vierde minister van Eenzaamheid. De eerste dateert van 2018. De Vlaamse minister van Welzijn Hilde Crevits (cd&v) lanceerde eind januari de onlinecampagne ‘Samen tegen eenzaamheid’ om ‘het taboe te doorbreken’. Het probleem eenzaamheid is zo groot geworden dat we niet langer kunnen doen alsof het een ‘privédingetje’ is?

Anja Machielse: “De groeiende zichtbaarheid van eenzaamheid speelt zeker een rol. Die trend van stijgende vereenzaming hangt samen met de voortschrijdende individualisering. We zijn niet langer aangewezen op onze directe omgeving, maar kunnen zowat overal contacten leggen. Alleen moeten we die zelf blijven onderhouden. Het vraagt veel van ons om een ondersteunend netwerk op te bouwen en in stand te houden. Niet iedereen slaagt daarin.

“Steeds meer mensen hebben geen kinderen, waardoor er geen basis is om op terug te vallen als ze oud worden. Vroeger bleven kinderen vaker in dezelfde gemeente wonen van hun ouders; nu trekken zij verder weg. Technologische ontwikkelingen maken het mogelijk dat we kunnen reizen en vanop afstand werken. Partners van koppels van de middengeneratie zijn allebei aan het werk. Terwijl de vrouwen van de generatie van mijn ouders stopten met werken als ze kinderen kregen. Wat wilde zeggen dat ze later ook voor hun ouders konden zorgen.

“De arbeidsparticipatie van vrouwen veranderde ontzettend veel. Vijftigers en zestigers van nu zorgen nog voor hun ouders, maar werken ook en zorgen eventueel af en toe voor hun kinderen en kleinkinderen. Er is met andere woorden veel minder ruimte dan vroeger. Door dat gebrek aan tijd kromp in Nederland het potentieel aan mantelzorgers aanzienlijk. Daar komt bij dat het aantal nieuwsamengestelde en gebroken gezinnen sterk toenam. Dat maakt het er voor al die actieve volwassenen niet gemakkelijker op om voor hun bejaarde vaders, moeders of beide ouders tot het einde te blijven zorgen.”

In eigen omgeving bespeur ik een andere tendens. Verschillende koppels van rond de 60 uit mijn kennissenkring bouwden in hun tuin een mantelzorg- of seniorenwoning voor hun hoogbejaarde ouders.

“Die nieuwe trend is er zeker. Ik heb vrienden van 70 die sinds kort ook bij hun kinderen in de tuin wonen, in een verbouwde schuur. Steeds meer vijftigers beginnen na te denken over zo’n huisje in de tuin voor hun ouders of verbouwen hun huis tot een kangoeroewoning. Alleen loopt het woningbeleid gigantisch achter en is het erg ingewikkeld om een vergunning te krijgen. In Nederland zijn er sowieso te weinig woningen, waardoor ouderen onder druk worden gezet om hun veel te groot geworden huizen zo snel als mogelijk te verlaten, zodat er grotere gezinnen in terecht kunnen. Verschillende koppels van mijn leeftijd starten samen een co-housingproject. Ze bouwen een ‘knarrenhofje’, zoals dat bij ons heet. (lacht) Meestal wordt zo’n knarrenhof gebouwd door welgestelde en mondige ‘knarren’ of ouderen.”

Een zorgkundige op de afdeling geriatrie van een ziekenhuis vertelde me onlangs dat genezen verklaarde bejaarde patiënten soms hemel en aarde verzetten om toch maar een paar dagen langer gehospitaliseerd te kunnen blijven. Ze willen liever niet terug naar de eenzaamheid van hun dagelijks bestaan.

“Mijn onderzoek gaat niet alleen over eenzaamheid, maar ook over sociaal isolement. Dat is net iets heftiger dan eenzaamheid. Want dat gaat dan over mensen die objectief waarneembaar zo goed als geen enkel sociaal contact meer hebben. Ook ik sprak de voorbije decennia verschillende mensen die na een ziekenhuisopname niet meer naar huis wilden omdat er geen enkel ondersteunend contact was. Dat geldt jammer genoeg voor zeer veel vereenzaamde mensen.

“In Rotterdam zijn er zogenaamde ‘logeerhuizen’, speciaal bedoeld voor mensen zonder netwerk die een ingreep in het ziekenhuis moeten ondergaan. Want tegenwoordig moeten patïenten zelfs bij de meest ernstige ingreep zo snel mogelijk terug naar huis. Als je niemand meer hebt om voor je te zorgen, kun je in zo’n logeerhuis terecht dat volledig gerund wordt door vrijwilligers. Je mag daar dan een paar weken verblijven.

“Die evolutie heeft te maken met de vergrijzing, maar vooral ook met hoe de zorg is ingericht. Het Nederlandse overheidsbeleid wil dat oudere mensen zo lang mogelijk zelfstandig wonen. Van zodra ze zorgbehoevend worden, krijgen ze op gezette tijden ondersteuning, als dat kan liefst zo lang mogelijk digitaal. Pas in allerlaatste instantie mogen ouderen bij ons naar een verpleeghuis. Vroeger verbleven mensen met fysieke en mentale problemen er gemiddeld acht jaar; tegenwoordig is dat nog maar acht maanden. Je moet nu echt in die laatste fase zijn die thuisblijven onmogelijk maakt. Dergelijk beleid veronderstelt dat mensen een netwerk hebben waarop ze af en toe terug kunnen vallen als sommige dingen niet meer lukken. Veel mensen hebben dat dus niet, zeker in de grote steden.”

Eenzaamheid is geen ziekte?

“Absoluut niet, het hoort gewoon bij het leven.Meestal is eenzaamheid van voorbijgaande aard. Het is ook een prikkel: eenzaamheid na een mislukte relatie is perfect normaal; tezelfdertijd is het een signaal dat het tijd wordt om iets te ondernemen. Anders blijf je met dat nare knagende gevoel zitten. Je wil ervan af, waardoor je initiatieven neemt om je leven terug op de sporen te krijgen. Alleen lukt dat niet bij iedereen.

“Van zodra eenzaamheid chronisch wordt, verliezen mensen hun vaardigheden om met anderen om te gaan. Ik maak vaak mee hoe totaal vereenzaamden niet meer weten hoe ze met een bezoeker moeten omgaan. Ze bieden geen stoel aan, vragen niet of je koffie wil, laten de tv keihard aanstaan, weten niet meer hoe ze ‘dag’ moeten zeggen en zijn niet meer gewend aan normale omgangsvormen. Ze leven in een eigen wereld en hoe langer dat duurt, hoe moeilijker het wordt om hen te helpen.

“Ik word regelmatig door journalisten gebeld als er iemand gevonden wordt die al maanden dood in huis lag, zonder dat hij of zij gemist werd. In een stad als Amsterdam zijn die cijfers van ‘lijkvinding’ geheim. Ik vermoed om onrust te voorkomen, maar ik weet wel zeker dat de statistieken in stijgende lijn gaan. Soms zijn mensen al ontzettend lang dood. Zo werd er in Rotterdam op een bovenverdieping van een huis een vrouw gevonden die tien jaar eerder overleden bleek te zijn.”

Tien jaar lang had niemand haar gemist?

“Oude buren vertrokken en nieuwe kwamen aan, maar niemand stelde zich vragen over dat stille appartement. Overleden mensen worden meestal gevonden door de stank van ontbinding. In dit geval was die geuroverlast er niet en werd die mevrouw tien jaar lang door geen medemens gemist.

“Als je jezelf terugtrekt en amper de deur uitkomt, denken buren snel: die wil geen contact. Met als gevolg dat niemand nog naar je omkijkt of zich met je bemoeit. Door alle automatische overschrijvingen van huur, gas en elektriciteit kan je overlijden lang onopgemerkt blijven, zeker als je uitkering netjes elke maand op je rekening gestort wordt.”

U maakt onderscheid tussen ‘eenzaamheid’ en ‘existentiële eenzaamheid’?

“Als je oud bent, ligt er niet zoveel tijd meer voor je, maar zeer veel achter je. Als er dan niemand is waarmee je jouw verleden kunt delen, ervaar je existentiële eenzaamheid. In de hulpverlening ging men er lang van uit dat enkel mensen die palliatief waren, geconfronteerd werden met die existentiële eenzaamheid. Er werd aangenomen dat mensen pas in het aanschijn van de dood de balans van hun leven opmaken. Dat klopt niet, we hebben die behoefte veel eerder en ervaren die existentiële eenzaamheid dus ook al veel eerder.

“Soms zegt een weduwe of weduwnaar: ‘Ik heb veel behoefte om over vroeger te praten, toen mijn partner nog leefde.’ Waarop de kinderen repliceren: ‘Die verhalen kennen we intussen wel.’ Dat klopt ook, alleen willen die ouderen er misschien wel elke dag over praten. Want ze zijn aan het nadenken om met zichzelf in het reine te komen. In de wetenschap heet dat disclosure: ‘Wat heb ik verwezenlijkt? Wat is me overkomen in mijn leven? Hoe kan ik dat een plek geven? Hoe vul ik de tijd die me nog rest?’ Ze schrijven het verhaal van hun leven waarbij ze op zoek gaan naar de coherentie van hun bestaan.

“Uit mijn jarenlange onderzoek naar eenzaamheid bij ouderen blijkt dat zij er zich goed van bewust zijn dat ze hun partner en vrienden kunnen verliezen. Ze begrijpen dat en zoeken niet naar ‘vervanging’. Want dierbaren die wegvallen, zijn onvervangbaar. Ze hebben wel behoefte aan die gesprekken over waar ze in hun dagelijkse leven tegen aanlopen. Eigenlijk gaat dat over zingeving, wat véél ruimer is dan: ‘Hoe richt ik mijn leven als oude mens in?’

“De gesprekken die ik als onderzoeker met ouderen voerde, duurden soms een halve dag. Ik toonde me als buitenstaander erg geïnteresseerd in hoe iemands leven was verlopen. Ik merkte dat mijn gesprekspartners dat heel fijn vonden. Want eindelijk konden ze vertellen wie ze zijn. In Nederland lopen nu succesvolle projecten waarbij goed getrainde vrijwilligers dat soort van existentiële gesprekken met ouderen aangaan.”

Is het vinden van vrijwilligers die met ouderen willen werken dan geen probleem? Een vriendin is coördinator in een woonzorgcentrum. Zij werkt met talloos veel vrijwilligers, waarvan het merendeel zelf intussen bejaard tot hoogbejaard is.

“Ook in Nederland wordt dat soort van vrijwilligerswerk vooral ingevuld door gepensioneerden. Het is zeer moeilijk om de interesse van jonge mensen op te wekken wanneer het over ouderen gaat. Opleidingen in de ouderenzorg merken dat ook. Ik hoor van hogescholen dat slechts weinig toekomstige sociaal werkers zich willen specialiseren in ouderenzorg. Dat is zeer zorgwekkend.

“Onlangs rondde ik een onderzoek af naar ‘maatschappelijke diensttijd’ (MTD). Een tijdlang waren Nederlandse middelbare scholieren verplicht om een korte stage te lopen in een maatschappelijke organisatie, zoals bij een sportvereniging of in de zorg. Helaas werd die verplichting afgeschaft, al mogen scholen wel nog op vrijwillige basis MTD organiseren. Ik sprak jongeren tussen 16 en 25 die een tijdje in de ouderenzorg meedraaiden. De meesten zeiden op voorhand dat ze daar geen zin in hadden. ‘Hoe praat je met die ouderen?’ Het leek alsof ze het over een andere diersoort hadden. (lacht)

“Natuurlijk vinden ze hun eigen opa en oma fantastisch, maar andere bejaarde mensen vinden ze eng. Mijn belangrijkse bevinding was dat ze na een paar maanden stage in de ouderenzorg tot de vaststelling kwamen: ‘Je kunt best een interessant gesprek met die mensen voeren. Nu weet ik tenminste dat ik gewoon naar hen toe kan stappen.’ Aan de ene kant vond ik dat fantastisch, aan de andere kant alarmerend.”

‘Maatschappelijke diensttijd’, of bij ons dan ‘burgerdienst’, zou bij scholieren verplicht moeten worden?

“Ik vind van wel. Laat scholieren verplicht een aantal uren stage lopen in bijvoorbeeld woonzorgcentra, want het resultaat zal zijn: meer begrip voor ouderen. Dat is dringend nodig, want nu leven we allemaal in onze eigen bubbels. Een jonge mens voelt vandaag volstrekt geen noodzaak aan contact met de ouderen in zijn buurt.”

Zou het kunnen dat de coronapandemie de eenzaamheid een extra boost gaf? We moesten ons toen allemaal noodgedwongen terugtrekken in die eigen bubbel.

“Die periode speelt zeker een rol. Zowel voor ouderen als voor jongeren was corona heftig. Van sociaal werkers en organisaties hoor ik dat het vooral sinds de pandemie moeilijker is om vrijwilligers voor ouderen te vinden. Maar ook ouderen zelf werden terughoudender. Ze nemen minder deel aan activititeiten omdat ze gewend raakten aan het alleen zijn. De drempel is verhoogd om dingen samen te doen.

“Van zodra het na corona kon, werden aan onze universiteit de onlinelessen afgeschaft. Het is zeer verleidelijk om vanop afstand les te geven, maar dat komt het menselijk contact niet ten goede. Een gesprek via Zoom tussen twee mensen is best oké, maar online lesgeven aan tientallen studenten is ondoenlijk. Als docent zie je ze niet, leer je ze niet kennen en voel je niet wat er leeft.

“Na corona moesten wij extra studieadviseurs aantrekken omdat veel studenten het moeilijk vonden om met anderen in één ruimte te zitten. Sociale vaardigheden zoals een doorsnee gesprek tussen twee lesuren, waren ze verleerd. Sommigen vonden dat corona-isolement best fijn omdat ze dan geen last hadden van sociale druk. Constant met anderen zijn, waren ze bedreigend gaan vinden.

“Eenzaamheid moet je al op zeer jonge leeftijd beginnen bestrijden. Zeker als het om ernstiger vormen gaat, waarbij het van jongsaf niet lukt om betekenisvolle relaties met anderen op te bouwen. Scholen kunnen dan een zeer belangrijke rol vervullen met bijvoorbeeld antipestprotocollen en veel aandacht voor het aanleren van sociale vaardigheden. Zo kan eenzaamheid op volwassen leeftijd voorkomen worden. Sinds 1 januari is op de Nederlandse basisscholen de smartphone in het leslokaal verboden. Een uitstekende maatregel, alleen moest het zes jaar duren om hem in te voeren. Het zou me niet verbazen dat kinderen het nu best oké vinden zonder die telefoon om in weg te vluchten. Ze leren eindelijk omgaan met elkaar.”

Krijgen we eenzaamheid ooit de wereld uit?

“Dat is niet te bannen. Als je relatie op de klippen loopt, of er sterft iemand in je naaste omgeving , is het heel normaal dat je je eenzaam voelt. Maar op een bepaald moment moet je wel een manier vinden om daarmee om te gaan, zodat je verder kunt met je leven. De vaardigheden om die omslag te kunnen maken, moet je al heel jong aanleren. In het geval van omgaan met eenzaamheid, is jong geleerd écht oud gedaan.”

Bio

Anja Machielse

  • Geboren in1956
  • Studeerde filosofie
  • Emeritus hoogleraar Humanisme en Sociale Weerbaarheid en bijzonder hoogleraar Sociale Weerbaarheid van Ouderen aan de Universiteit voor Humanistiek van Utrecht.

© Jan Stevens

Vergelijkbare berichten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *